Plaatselijk belang De Pollen  West-Geesteren

 

 

 

Doel

 

Plaatselijk belang De Pollen West-Geesteren is een vereniging die de belangen behartigt voor de bewoners van De Pollen en West-Geesteren.

Na de oorlog ontstond het initiatief hiertoe. Om precies te zijn  op 14 juli 1948.

Men wilde een vereniging die gedragen werd door alle inwoners en enerzijds als doel had om de belangen te behartigen en anderzijds ook voor gezelligheid wilde zorgen.

 

“In de begintijd werd er gestreden om voorzieningen zoals gas water en licht; zo was er in die tijd alleen een waterkraan bij “de waterboer” waar water gehaald kon worden. Een van de eerste activiteiten uit die tijd  was het Oranjefeest!”

 ♦

bestuur en activiteitencommissie



Na 60 jaar is er in de samenstelling van Plaatselijk belang  een scheiding gemaakt in het bestuurswerk.

Een klein bestuur draagt zorg voor de bestuurlijke taken en een activiteitencommissie  neemt de organisatie van de activiteiten op zich zoals de fiets en wandelvierdaagse en de zomerfeesten.

Daarnaast is er ook een redactie die de informatiekrant ons Pollenblad " Effe’n bie proat’n" samenstelt en nu ook de website onder haar hoede neemt

 ♦

lidmaatschap



Lid worden van Plaatselijk belang is bedoeld voor inwoners van De Pollen West-Geesteren. Aanmelden hiervoor kan via het secretariaat van het bestuur.

De jaarcontributie bedraagt €6 en wordt bij voorkeur via automatische incasso voldaan.

Leden ontvangen een aantal malen per jaar het Pollenblad  “Effe’n bie proat’n “en  men kan deelnemen aan de jaarvergadering van Plaatselijk belang waar verantwoording wordt afgelegd en nieuw beleid wordt voorgesteld door het bestuur.

Daarnaast kan men vaak tegen gereduceerd tarief deelnemen aan de activiteiten van Plaatselijk belang.

 

 ♦

Geschiedenis van  De Pollen

 

Aan de Paterswal, Oude en Nieuwe Hoevenweg en Kwartelsdijk  ontstond rond 1800 De Pollen.
De Paterswal was eerst een voetpad en werd aangelegd door de monniken van het Cisterciënzerklooster Sibculo (ontstaan in 1406) dwars door de grote woeste Almelervene. Het pad door de venen was de verbindingsweg tussen het Klooster Galilaea Maior in Sibculo en het klooster Albergen. Deze weg ging niet via Almelo, maar over Geesteren.Vanaf het klooster Sibculo volgden de broeders de Paterswal in zuidelijke richting tot ongeveer waar nu de weg door De Pollen loopt. Zij volgden deze weg - in die tijd een slecht begaanbaar pad dwars door het veen tot waar nu de Pollenschool staat. Daar staken ze de Bavesbeek over en vervolgden hun weg langs het tegenwoordige fietspad naar West-Geesteren en vervolgens naar het klooster in Albergen.

Uit oude akten van 1420 en 1452 blijkt dat toen al sprake was van het gebruik van de veengronden. Ook de Bavesbeek werd toen al genoemd.

"Johan, jonker tot Almeloe, en zijn vrouw Johanna van Reede geven, ten overstaan van haar vader Henrick van Reede en van de borgmannen van Almeloe Hermen van Pesye en Otte van Bellinchove, een privilege aan de vrije Vriesen en de andere buren op den Vene, gelegen tussen de Wederder woeste en de Bawesbeke, tot bevordering van de welstand in dat gebied, waarin hun wederzijdse rechten worden vastgelegd, in het bijzonder over de door de buren aan de heer van Almeloe verschuldigde boterpacht voor het gebruik van de veengronden, de civiele en criminele jurisdictie, het waterschapsbestuur en de aanstelling van wereldlijke en geestelijke functionarissen."

 Transisalania Provincia; vulgo Over-yssel, getekend door Claes
Jansz. Visscher te Amsterdam in 1652 naar een (groter) origineel van Nicolaes
ten Have uit 1648 en uitgegeven door Nicolaus Visscher, ca. 1680. Historisch
Centrum Overijssel. Kaartencollectie, inv. nr. 22.

 

 

Het gebied wat in die tijd Oosterhoeven werd genoemd en later  Oude Hoevenwegsvenen was gemeen bezit.  Hier werd al vroeg turf afgegraven.Toen de venen langs de Oude Hoevenweg meer en meer werden ontgonnen ontstond meer noordelijk een weg dwars door het veen. 

 Deze weg werd  de Nieuwe Hoevenweg genoemd.

  

Hoe ontstond de naam "De Pollen".



De eerste bewoners van De Pollen vestigden zich hier omstreeks 1800. Bij de eerste nederzetting in De Pollen moeten we ons het gebied voorstellen als een moerassige veenstreek. Dwars door dit veengebied liep als vaarweg de Schipsloot, die in het midden van de 17de eeuw werd aangelegd en verder een voetpad, de Hoevenweg dat honderden jaren geleden was gebaand door de monniken van het klooster Sibculo. Hier en daar in dit uitgestrekte veengebied lagen zandhoogten of zoals ze in de volksmond heetten "Polle".Volgens de overlevering heeft De Pollen hieraan zijn naam te danken.

De Schipsloot werd gebruikt voor het vervoer van turf uit De Engbertsdijksvenen en vormde  de verbinding over water met het overige Twente. Omstreeks de jaren twintig van de vorige eeuw nam de scheepvaart op de Schipsloot meer en meer af en nam het vervoer met paard en wagen en later de vrachtwagen toe. Met het einde van de turfschipperij verdween ook het beroep van turfschipper.  Vele turfschippers moesten dan ook in de twintiger jaren een ander beroep kiezen.

 



 

 

 



 

Van de winter van 1926 is bekend dat de Pollen tijdens de grote overstroming helemaal onder water stond. In 1929 werd er een schooltje gebouwd dat uitgroeide tot de huidige Pollenschool. Enkele jaren later werd de Pollenkerk gebouwd (1932).

 



 Tijdens de ruilverkaveling in de jaren zestig van de vorige eeuw werd bijna de gehele Schipsloot gedempt.Veel is er sindsdien veranderd. Nieuwe bewoners ook van "buitenaf" vestigden zich in de Pollen en woningbouw werd en wordt in de toekomst uitgebreid. Er zijn goede voorzieningen zoals een supermarkt en basisschool. Bijzonder in de NH Pollenkerk is het unieke kabinetorgel, gemaakt in 1766 door de orgelmaker J.H.H. Bätz te Utrecht. Ook zijn er actieve buurtverenigingen en Noaberschap staat nog steeds hoog in het vaandel.

De Pollen is nu onderdeel van een moderne plattelandsgemeente, de gemeente Twenterand aan de noordwest- rand van Twente, in het hart van Overijssel en heeft ongeveer  650 inwoners.

De buurtschap West-Geesteren valt formeel onder het dorp Geesteren, maar heeft in de praktijk goede banden met de buurtschap De Pollen.  In 1913 werd in West-Geesteren op de zogenaamde "Woeste Heide" een Openbare lagere school in gebruik genomen, die in 1956 werd gesloten.Het is een buurtschap met verspreide bebouwing.

               

                  

      

 

 

            

Een verhaal van weleer…….

 









 

Tot ver in de vorige eeuw, nog jaren na de laatste wereldoorlog hebben boer en arbeider vaak hun eigen voorraad turf gewonnen. Het turfgraven begon meestal eind maart en duurde tot 21 juni. De gestoken turf moest namelijk voldoende tijd hebben om te drogen. Was het vochtgehalte van de turf meer dan 50 procent dan zou het bij invallende vorst verkruimelen en als brandstof waardeloos worden.

Een man kon per uur anderhalf tot twee m3 turf steken. Vanaf een op het veen gelegde plank werd de bruine laag, die na verwijdering van heide, pijpenstrootjes en bolster bloot kwam, met stikker in de gewenste afmetingen gestoken. De stikker was een vrij groot rechthoekig metalen blad dwars aan een lange steel bevestigd. Vervolgens werden de natte turfjes met de oplegger, een lange smalle schop, vaak geheel van hout, met een korte steel, op de slagkar gelegd.

Tot ver na de tweede wereldoorlog werden stikker, oplegger en slagkar nog gebruikt in de Engbertsdijksvenen. In dit veengebied werkten in de zomer wel een dikke honderd arbeiders en kleine boeren uit Bruinehaar, De Pollen en Geesteren.

Turfscheepjes

Een verhaal volgens overlevering vertelt hoe een 11 of 12-jarige jongen meeging vanuit Almelo om turf te halen die Almelose fabrieksarbeiders in hun vrije tijd hadden gestoken in de Engbertsdijksvenen. Met de drietons platbodems trok men van oktober tot maart over de Hollandergraven naar het noorden. In die tijd van het jaar stond er namelijk voldoende water in de beken en de sloten die naar het veengebied leidden.

 In de Krommendijk woonden toen langs het water verschillende botenbezitters. Rond 1900 zelfs  tientallen. De eigenaren haalden met hun scheepjes de turf op van de buren die als spinner of wever de kost verdienden. Deze laatsten gingen in het voorjaar en zomer een paar dagen naar het veen om  turf te steken. Voor  12 gulden per jaar konden ze een stuk veen van ongeveer 100 m2 pachten.

Drie stok was duizend turf. Als je per dag 15 stok turf stak was je een knap turfsteker. De scheepjes konden beladen worden met 3000 blauwe of zwarte turf of 4000 lichte turf. De schippers kregen 4 tot 5 gulden voor het halen van een vrachtje turf. In het veen waren altijd genoeg mensen te vinden die voor een daalder met hun kruiwagens de turf in het schip wilden brengen.

De Krommendijker schippers gingen ‘smorgens rond 4 uur op pad en leverden de turf tegen een uur of  twee af.

De bootjes hadden een zeil maar lang niet altijd kwam de wind uit de goede hoek of was sterk genoeg. Dan diende er te worden getrὂὂld. De scheepjes werden niet getrokken maar voortgeduwd met een 4 meter lange spriet, een soort vlaggenstok. Die werd in de boot geplaatst en dan duwde de over de oever lopende man die zo voor zich uit, de stok voor de buik langs.

Vloot van turfscheepjes

In verband met de waterstand, die met stuwen werd geregeld, moesten alle turfscheepjes tegelijk uit het veen vertrekken. Het gebeurde wel dat 20 tot 30 drietonners, met het zeil op, over de Hollandergraven de Krommendijk kwamen binnenvaren.

In 1928 was het gebeurd met de turfschipperij vanuit de Engbertsdijksvenen. Toen kwam het Geesterse Stroomkanaal gereed, waardoor de vaarweg naar het veen werd afgesneden.